‘Neem dyscalculie serieus’

Dyscalculie wordt nog te vaak over het hoofd gezien, zegt rekenhoogleraar Hans van Luit. Gespecialiseerde hulp op scholen kan helpen, maar daarvoor is bestuurlijk draagvlak soms ver te zoeken.

Bijna veertig jaar onderzocht Hans van Luit kinderen met rekenproblemen om te zien hoe begeleiding beter kan en of preventie mogelijk is. In 2019 ging hij met pensioen. Maar in zijn afscheidsrede bij de Universiteit Utrecht gaf hij aan actief te willen blijven als dyscalculiedeskundige. En hij hield woord. Van Luit geeft nog altijd cursussen aan orthopedagogen die dyscalculie willen leren diagnosticeren en behandelen. Hij begeleidt promovendi en maakt deel uit van diverse beroepsraden. En alsof het allemaal niets is, begon hij samen met anderen aan maar liefst twee nieuwe boeken: een handboek over dyscalculie voor orthopedagogen en een overzichtsbundel voor leraren. De eerste verschijnt nog dit jaar, de tweede in 2022.
Toch voelt zijn pensioen als vrijheid. Al het bestuurswerk binnen de universiteit kon hij achter zich laten, waardoor hij in plaats van 70 nu ‘nog maar’ 35 uur werkt. Ineens is er tijd voor tennis, lange fietstochten en het lezen van romans. Maar ongeveer een jaar in zijn pensioen brak een virus los dat de hele wereld op zijn grondvesten deed schudden.

Toen de coronacrisis begon, werd snel duidelijk dat schoolgebouwen dicht moesten. Niet veel later kwamen de eerste verhalen over leerachterstanden naar buiten. Hoe kijkt u terug op die periode?

‘Ik volgde de situatie op scholen aanvankelijk via mijn dochters. Zij werken allebei in het onderwijs, de een op een school met kinderen van niet-westerse afkomst en de ander op een meer gemengde school. Allebei zagen ze snel dat hun leerlingen een terugval lieten zien, ongeacht hun achtergrond. Hun observaties volgden daarmee trends die later ook met onderzoek zijn vastgesteld.
In die periode hing er veel af van de ouders. Jonge kinderen werden nog wel voorgelezen, maar van rekenen kwam vaak maar weinig terecht, is mijn indruk. Sommige ouders deden niets om hun kind te ondersteunen.
Zwakke rekenaars zullen het door de coronacrisis niet gemakkelijk hebben gehad. Vooral voor kinderen met dyscalculie kunnen de gevolgen groot zijn. Van hen weten we dat als je niet meerdere keren per week actief met ze oefent, ze alles vergeten wat ze van de leerkracht horen. Die extra oefening viel voor velen van hen weg. Zij zijn daardoor blijven steken op het niveau van vóór de coronacrisis.’

Valt er nog wat voor die kinderen met dyscalculie te doen?

‘Zeker. Je kunt als remedial teacher, intern begeleider of rekenspecialist het handelingsplan weer oppakken en kijken waar de hiaten zitten. Zodra je dat goed in kaart hebt gebracht, kun je weer stap voor stap aan de slag met de rekenstof. Het is geen verloren zaak.’

We hebben meer dan voldoende kennis over dyscalculie en rekenproblemen, maar de praktijk doet er onvoldoende mee, zei u in uw afscheidsrede bij de Universiteit Utrecht in 2019. De gebruikelijke rekenmethoden zijn deel van het probleem.

‘Methodemakers zijn vaak eigenwijs. Ze denken dat ze wel even iets in elkaar kunnen zetten waar de hele klas profijt van heeft. Daarbij gaan ze uit van het gemiddelde. Maar uiteraard is geen enkele leerling gemiddeld. In de praktijk blijken methoden alleen afdoende voor leerlingen die geen grote moeite met rekenen hebben en dan vooral omdat zij uit zichzelf al veel kunnen.
De reguliere methoden zijn bovendien vaak een ratjetoe aan oefeningen. Voor zwakke leerlingen is die chaos funest. Zij hebben behoefte aan een duidelijke opbouw en veel herhaling in opeenvolgende dagen, zodat de kennis goed inslijpt. Leraren beseffen vaak wel dat de methode hier niet aan tegemoet komt, maar hebben lang niet altijd de tijd en kunde om er voor de zwakkere rekenaars een betere structuur in aan te brengen.
Gelukkig zijn er positieve uitzonderen, zoals Getal en Ruimte Junior en Eureka!, en ook veel recent ontwikkelde methoden zien er veel beter uit dan eerdere methoden. Ik heb dus goede hoop.’

Slagen leerkrachten er voldoende in om rekenproblemen te voorkomen?

‘Leraren hebben over het algemeen te weinig tijd om goed te kunnen differentiëren. Ze zijn druk met verkeersagent spelen en al lang blij als kinderen luisteren. Ondersteuning in de vorm van een remedial teacher of intern begeleider is vaak wegbezuinigd. Het antwoord is dus nee. Ze willen wel, maar ze krijgen het praktisch gezien niet voor elkaar.
We hebben het hier niet over een onbeduidend groepje leerlingen: ongeveer 30% heeft in meer of mindere mate moeite met rekenen. Al die kinderen lopen risico dat ze later in hun leven onvoldoende vaardigheden hebben om eenvoudige berekeningen te maken. Denk aan kortingen inschatten, de rente van een lening uitrekenen of de belastingaangifte doorgronden.
Maar achter het gebrek aan aandacht voor deze leerlingen zit ook een ideologie: al decennia leeft op de lerarenopleidingen het idee dat zelfontdekkend leren centraal moet staan in het reken- en wiskundeonderwijs. Zelfontdekkend leren houdt in dat kinderen met een zekere mate van zelfstandigheid zoeken naar mogelijke oplossingsmanieren. Voor velen is dat een motiverende aanpak. Maar dat geldt lang niet voor alle kinderen. Zij hebben sterke behoefte aan directe instructie. Als ze die niet krijgen, blijven ze achter. De ideologie staat hun ontwikkeling in de weg. Ik vind dat heel kwalijk.’

Hoe kunnen leerkrachten rekenproblemen verminderen of voorkomen?

‘Als de school geen passende methode gebruikt, zijn zwakkere rekenaars extra afhankelijk van hun leerkracht. Vaak heeft een kind maar met een enkel onderdeel moeite en kun je door extra oefenen dat verhelpen. Maar ongeveer 10% van alle leerlingen heeft hardnekkige rekenproblemen: zij hebben geregeld extra ondersteuning nodig. Voor velen van hen is de oplossing verlengde instructie, dus extra uitleg en aangepaste oefeningen naast de klassikale instructie. Maar in praktijk komt er vaak niets van terecht. Leerkrachten zijn veel te druk om alle kinderen aan het werk te houden en alle vragen te beantwoorden. De organisatie biedt hen niet de ruimte om apart te oefenen met de enkele leerlingen die daar grote behoefte aan hebben.
Maar gebrek aan ruimte is niet het enige probleem: leerkrachten weten lang niet altijd waar ze op moeten letten bij kinderen met rekenproblemen. Hun kennis over rekenen en wiskunde is vaak onvoldoende om te achterhalen welke rekenaspecten voor het kind extra lastig zijn. Het zou goed zijn als directies en besturen zich bewuster waren van deze problemen.’

Wat kunnen directies en besturen doen?

‘De meest effectieve manier om rekenachterstanden te voorkomen of verkleinen is investeren in eigen rekenspecialisten, weten we uit onderzoek. Met deze geschoolde krachten krijgen de zwakke rekenaars de ondersteuning die ze nodig hebben en ontlast je de leerkracht.’

Ongeveer 2% van alle leerlingen ontwikkelt dyscalculie. Hoe verschillen zij van andere zwakke rekenaars?

‘Kinderen met dyscalculie zijn niet in staat om geleerde kennis in te zetten bij rekenopgaven die nog niet geïnstrueerd of veelvuldig geoefend zijn. Ze lopen eind groep 5 al ten minste een jaar achter op leeftijdsgenoten en ondanks gerichte hulp gaan ze vaak maar mondjesmaat vooruit. Ook weten we dat een erfelijke component meespeelt: kinderen van ouders – en vooral vaders – met dyscalculie lopen een groter risico om zelf ook dyscalculie te ontwikkelen. Door die erfelijke component kun je dyscalculie nooit helemaal voorkomen. Maar door vanaf de kleuterleeftijd al aan voorbereidende vaardigheden te werken, zijn de symptomen op latere leeftijd wel veel milder.
Kinderen met dyscalculie lopen overigens niet allemaal tegen dezelfde problemen aan. De onderlinge verschillen kunnen groot zijn: bij de een ben je als specialist vreselijk lang bezig om het kind te doen inzien dat 5 x 1 meer is dan 4, terwijl de ander een rekenprocedure na drie bijeenkomsten al goed toepast. Toch ben ik er huiverig voor om te spreken van specifieke profielen. Daarvoor is de groep te klein en de diversiteit te groot.’

Door die diversiteit zal een goede diagnose stellen extra uitdagend zijn.

‘Orthopedagogen kunnen niet een testje afnemen en de punten bij elkaar optellen, maar moeten een inhoudelijk diagnostisch rekenprocesonderzoek doen waarbij ze goed kijken wat een kind kan en waar de hiaten zitten. Orthopedagogen krijgen hierin geen scholing op de reguliere opleiding, maar kunnen bijvoorbeeld bij het cursuscentrum KWeC nascholing volgen als zij zich hierin willen specialiseren.
Voor de diagnose kunnen ze gebruik maken van het Protocol Dyscalculie: Diagnostiek voor Gedragsdeskundigen 3.0, dat ik samen met mijn collega Martine Mönch schreef. Daarmee kun je bij zowel kinderen als volwassenen vaststellen of ze dyscalculie hebben. ’

In andere landen ligt het percentage kinderen met dyscalculie hoger. Hoe kan dat?

‘Andere landen gebruiken ruimere criteria. Zo krijgen kinderen in België de diagnose al als ze tot de zwakste 10% behoren en met hardnekkige problemen kampen. Anders dan in Nederland is de diagnose in België gekoppeld aan behandeling: elk kind met dyscalculie krijgt langdurige gespecialiseerde ondersteuning.
In Nederland hebben we die koppeling niet. De diagnose geeft wel vrijstellingen en biedt toegang tot bepaalde voorzieningen, maar de inhoud wordt bepaald door de school. In de praktijk vullen scholen die inhoud mager in. De financiering moet komen uit de lumpsum en rekenondersteuning staat laag op hun prioriteitenlijst. Daardoor komt het vaak aan op de ouders: als zij goede hulp voor hun kind willen, zullen ze die zelf moeten betalen. Maar dat kunnen uiteraard niet alle ouders. Daardoor krijgen kinderen uit gezinnen met lage inkomens over het algemeen minder goede rekenondersteuning.’

Valt er iets aan die oneerlijkheid te doen?

‘Het zou goed zijn als in Nederland de diagnose aan de behandeling gekoppeld wordt. Net zoals we nu bij enkelvoudige dyslexie doen. Ook zijn de criteria misschien te streng en moeten we deze bijstellen. Door versoepeling van de criteria zal het percentage kinderen met dyscalculie stijgen. Maar zolang dat inhoudt dat meer leerlingen goede ondersteuning krijgen, zie ik daar geen bezwaar tegen. Het doel is niet om meer labels te plakken. Het gaat erom dat we alle kinderen de hulp bieden die ze nodig hebben.’

Sommige kinderen met dyscalculie kampen ook met een andere stoornis. Hoe krijg je als specialist grip op die comorbiditeit?

‘Bij comorbiditeit kan het ontzettend lastig zijn om te achterhalen welke stoornis verantwoordelijk is voor welke problemen en in hoeverre ze elkaar misschien versterken. Maar door je bewust te zijn van de mogelijkheid van comorbiditeit kun je vaak al ver komen: je ziet bijvoorbeeld dat een kind met een autisme goed is in taal, maar problemen heeft met rekenen. Dan is het onlogisch om die rekenproblemen volledig toe te schrijven aan het autisme. In die gevallen heeft het kind mogelijk ook dyscalculie.
Als je vermoedt dat er sprake is van twee stoornissen, dan kan het slim zijn de meest dominante stoornis eerst te behandelen. Stel dat een kind adhd heeft. Door eerst de concentratieproblemen onder controle te krijgen, zie je goed welke rekenproblemen het kind overhoudt. Daar kun je vervolgens gericht mee aan de slag.’

Worden kinderen met dyscalculie tijdig herkend?

‘Een van de criteria is nu nog dat het kind eind groep 5 al minstens een jaar achterstand heeft en aan het einde van de basisschool twee jaar. De diagnose volgt vergeleken met een stoornis als dyslexie dus relatief laat. Maar dat een kind hardnekkige rekenproblemen heeft, is vaak al snel duidelijk.
Een uitzondering vormen kinderen die hoogbegaafd zijn. Zij weten hun dyscalculie vaak tot groep 5 te compenseren met hun goede geheugen. Daardoor blijft de stoornis voor de omgeving verborgen. Deze kinderen onthouden vaak antwoorden van specifieke sommen, maar zullen je niet kunnen vertellen hoe ze tot die antwoorden komen als je ze daarom vraagt. Zodra breuken, percentages of lengtematen om de hoek komen kijken, ontstaan de problemen. Dan blijkt ineens dat de kennisbasis ontbreekt die ze nodig hebben om complexere sommen op te lossen.’

In uw onderzoek benadrukt u dat de behandeling van dyscalculie zich niet alleen moet richten op de rekenvaardigheid, maar ook op sociaal-emotionele problemen.

‘Kinderen met hardnekkige rekenproblemen zijn vaak angstig en onzeker geworden door hun slechte prestaties. Tijdens rekenlessen zijn ze vaak gestrest en willen ze niet meedoen. Leerkrachten merken dit direct. Ze zien dat kinderen zich terugtrekken en bijvoorbeeld hun vinger niet opsteken bij een klassikale vraag. Ook vertellen ouders dat hun kind met buikpijn naar school gaat als er een rekentoets op het programma staat.
Met mijn collega’s Jojanneke van der Beek, Martine Mönch en Sylke Toll heb ik de training Wegwijs in dyslexie en dyscalculie ontwikkeld. Hiermee kunnen orthopedagogen kinderen helpen om goed met hun leerstoornis om te gaan.’

Wat kunnen leerkrachten doen om zwakke rekenaars meer op hun gemak te stellen?

‘Maak specifieke afspraken met ze. Je kunt bijvoorbeeld zeggen dat ze alleen de beurt krijgen als je zeker weet dat ze de som kunnen oplossen. Zo hoeven ze niet in de stress te schieten en kunnen ze rustig meeluisteren naar de antwoorden van klasgenoten. En oefen met toetsen maken. Laat ze bijvoorbeeld bij een toets van tevoren met kleuren markeren welke opgaven ze moeilijk vinden en geef ze de instructie om eerst de makkelijke te maken. Vervolgens kunnen ze door naar de minder makkelijke, en als die goed gaan, kunnen ze de moeilijkste opgaven proberen.
Door lesstof en toetsen zo aan te bieden verminder je de faalangst van deze kinderen. Ze krijgen ruimte in hun hoofd om zich op de stof te concentreren. Ook laat je ze op deze manier zien dat ze wel degelijk iets kunnen, waardoor ze meer gemotiveerd raken voor rekenen en wiskunde.
Daarnaast kan het slim zijn om de rest van de groep te laten weten waarom hun klasgenoot een andere behandeling krijgt. Je kunt het kind een spreekbeurt over dyscalculie laten houden of zelf vertellen wat er aan de hand is. Daarmee vergroot je het begrip in de groep en ervaart het kind erkenning. Maak duidelijk dat dyscalculie een mentale handicap is: de leerling is niet dom, maar heeft simpelweg extra tijd en hulp nodig om eenzelfde prestatie als andere kinderen te leveren.’

Heeft u nog een laatste tip voor orthopedagogen die kinderen met dyscalculie onder hun hoede hebben?

‘Wees eerlijk tegen ouders wat behandeling kan opleveren. Met goede behandeling kun je de rekenproblemen verkleinen en kinderen helpen om zich zelfverzekerder te voelen. Maar dyscalculie is een stoornis die we niet kunnen “genezen”. Het is belangrijk dat de omgeving dit erkent, zodat het kind, nu en in de toekomst, gemakkelijk om hulp kan vragen bij complexe rekenvraagstukken als dat nodig is.’

WEETJES OVER DYSCALCULIE

  • De term ‘dyscalculie’ werd in het begin van de jaren vijftig van de vorige eeuw voor het eerst in de literatuur ge­bruikt.
  • Dyscalculie komt onder jongens en meisjes evenveel voor (Shalev, Auerbach, Manor, & Gross-Tsur, 2000).
  • Veel kinderen met dyscalculie blijven tot op hoge leeftijd hun vingers gebruiken om iets uit te rekenen.
  • Volwassenen ervaren het (alsnog) vaststellen van dyscalculie vaak als erkenning.

Bron: Hans van Luit, Dit is dyscalculie. Houten: LannooCampus, 2018.

Door Winnifred Jelier.
Dit interview verscheen in het Tijdschrift voor Orthopedagogiek, najaar 2021.

Plaats een reactie